Midden-Delfland wil meer weten over LHBTI

Roze raadsdebat in Midden-Delfland

Wat is er nodig om in Midden-Delfland een goed leefklimaat tot stand te brengen voor lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en mensen met een intersekse-conditie? Dat willen deelnemers aan het Roze Raadsdebat de komende vier jaar onderzoeken.

Midden-Delfland is een open gemeente waar lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en mensen met een intersekse-conditie (LHBTI) zich veilig kunnen voelen. Dat verklaart Ed Roeling van Mijn Partij en Desiree Langeveld (CDA) valt hem daarin bij. Johan Meijdam (PvdA) belooft actief het onderwerp LHBTI op de agenda te houden en ziet er wel wat in de gemeente aan te melden als ‘Regenboogstad’. Regenboogsteden krijgen subsidie van het Rijk om LHBTI-acceptatie in de gemeente te bevorderen. Sonja Smit van OGP wil meer weten over de ‘gemeenschap binnen de gemeenschap’ en wil nagaan wat er nodig is. Roger Vieira van D66 zegt toe zich te zullen inzetten voor gastlessen over seksuele en genderdiversiteit op scholen en voor contacten met sportclubs en Roy Ringeling van de ChristenUnie vindt dat ook een goed idee. Wendy Renzen van de VVD is voorstander van meer samenwerking met COC Haaglanden. Dit zijn de opbrengsten van het Roze Raadsdebat dat COC Haaglanden samen met DWH op 6 maart in Midden-Delfland organiseert.

Voorlichting
De zeven deelnemende politici hebben een verschillende opvatting van wat Midden-Delfland doet of zou moeten doen voor de LHBTI-inwoners. Zo vindt Meijdam het belangrijk dat op scholen gespecialiseerde voorlichters gastlessen komen geven over seksuele en genderdiversiteit. ‘Niet alleen in het voortgezet onderwijs, maar ook op basisscholen. Op de school van mijn zoontje zit een genderkind. Dat is nu geen probleem, maar als ze ouder worden, kan het dat wel worden. Dat moet je goed begeleiden.’ Het CDA, de CU en Mijn Partij willen daarvoor niet meteen geld beschikbaar maken. Ook in de zaal denkt men verschillend. Iemand vindt dat scholen het onderwerp prima bij de biologieles kunnen behandelen, een ander stelt vast dat jongeren met hun seksuele gerichtheid kunnen worstelen en dat zij zeer eenzaam kunnen zijn in een weinig ontvankelijke omgeving. Dat die omgeving inderdaad niet ontvankelijk is, illustreert het verhaal van Renzen. ‘Mijn dochters zitten op voetballen. Toen ik ze vroeg of er in het team wel eens meisjes op meisjes verliefd worden, of dat het gesprek er wel eens over ging, reageerden ze zeer negatief. Zo heb ik ze helemaal niet opgevoed!’

Beste bewoner
De stelling ‘De gemeente gebruikt in brieven de aanspreekvorm “beste bewoner” vanwege de genderinclusiviteit’ roept, zoals op meer plekken in de samenleving, uiteenlopende reacties op. Smit (OGP) vindt het een goed idee: ‘Iedereen begrijpt het, het is makkelijk uitvoerbaar, kortom, kleine moeite, groot plezier.’ Maar Roeling (MP) vindt dat je dan de discussie uit de weg gaat. ‘Dat het praktisch uitvoerbaar is, snap ik, maar het gaat om meer. Wij hebben moeite met genderinclusiviteit. Mensen kunnen aangeven hoe ze willen worden aangesproken.’ Uit de zaal komt de opmerking dat instellingen er soms lang over doen het juiste geslacht aan hun geadresseerden toe te kennen. ‘Ik heb werktuigbouwkunde gestudeerd’, vertelt een vrouw. ‘Voor de universiteit “geachte heer” had vervangen door “geachte mevrouw”, was ik jaren verder.’ Renzen voegt toe: ‘Niet alle mensen voelen zich duidelijk man of vrouw. Met “geachte bewoner” als aanspreekvorm, hoeft niemand zich gekwetst te voelen.’

Signalen
Naarmate het debat vordert, ontdekken de panelleden steeds meer dat er weinig bekend is over de LHBTI’s in de gemeente. ‘Ik ben moeder van opgroeiende kinderen, en ik heb niet het idee dat het leeft’,  zegt Langeveld (CDA). ‘We krijgen van LHBTI’ers geen signalen dat ze zich niet veilig voelen.’ Maar de gemeente kan wel meer doen, vindt Vieira.‘Er is geld beschikbaar voor initiatieven uit de samenleving. We kunnen duidelijk maken dat dat potje er ook is deze doelgroep.’ Smit voegt eraan toe: ‘Wat weten we eigenlijk van de LHBTI’s in deze gemeente? De landelijke monitor laat dat niet zien. We moeten het beter in kaart brengen.’ Maar of LHBTI’s zich prettig voelen of niet, heeft niet zoveel te maken met de omgeving, vindt Ringeling (CU). ‘Uitschelden voor  “homo”, zegt meer iets over de persoon die dat doet, dan over het leefklimaat. Sportverenigingen treden op tegen dit soort taal. Dat is ook gebeurd toen langs de velden het K-woord vaak viel.’ Meijdam begrijpt wel dat er geen signalen zijn. ‘Als je jong bent en homo en je woont in een macho-omgeving, dan hou je je stil. Het is goed als de gemeente aandacht heeft voor deze groep, en bijvoorbeeld Regenboogstad wordt.’